dinsdag 4 november 2008
Klik op een titel voor een samenvatting van de lezing.
9.00 | Ontvangst met koffie en thee |
Dagvoorzitters: | |
9.30 | Opening Teo Wams, directeur Natuurmonumenten |
9.50 | Natuurherstel: van standplaats naar landschap André Jansen (Unie van Bosgroepen), Ab Grootjans (RUG/RU) en Wilco Verberk (St. Bargerveen/RU) |
| 10.30 | Koffiepauze |
11.00 | Herstel kustlandschap: waar welke ruimte- en tijdschaal toegepast? |
| 11.30 | Over de grenzen van bos, heide en stuivend zand: van kleinschalige maatregelen naar herstel van het heidelandschap |
| 12.00 | Lunchpauze |
| 13.15 | N.B. Keuze uit twee lezingen: |
> | Van Kwabaal tot veenvorming: nieuwe perspectieven voor herstel van beekdallandschappen |
> | Welke bijdrage levert natuurontwikkeling aan herstel rivierenlandschap? Wouter Helmer (Ark), Henk Wolfert (Alterra), Frank Saris (SOVON), Karlè Sýkora (WUR) en Harrie Hekhuis (SBB) |
13.45 | Sleutelfactoren en toekomstperspectief voor herstel van het Limburgse heuvelland |
14.15 | Is herstel van laagveen op landschapsschaal mogelijk? Soorten turven of landschap boetseren |
14.45 | Theepauze |
15.15 | Van hoogveenherstel naar herstel van een ‘compleet’ nat zandlandschap |
15.45 | O+BN en Natura 2000: een natuurlijk koppel Mariken Fellinger (DK-LNV), Peter van der Molen (DLG-LNV) en Fons Eijsink (Bosgroep Noordoost Nederland) |
16.25 | Afsluitende conclusies André van der Zande, secretaris-generaal ministerie van LNV |
| 16.35 | Afsluiting Janneke Hoekstra, directeur DK - ministerie van LNV |
16.40 | Borrel |
SAMENVATTINGEN
Natuurherstel: van standplaats naar landschapHet lijkt zo vanzelfsprekend om de natuur te willen herstellen op het niveau van het landschap. Soorten en processen trekken zich immers maar weinig aan van het door ons gemaakte onderscheid tussen vegetatietypen en ecosystemen. Maar het landschap is meer dan de optelsom van de verschillende standplaatsen. Veel bedreigde planten en dieren blijken zich namelijk juist thuis te voelen in gradiëntsituaties, bijvoorbeeld de overgang van zuur naar basisch, van korte naar hoge vegetatie, of van nat naar droog. Bovendien zijn veel diersoorten aan terreinheterogeniteit gebonden. Dit is schaalafhankelijk. Zo is het Gentiaanblauwtje gebonden aan een kleinschalig mozaïek van droge en natte vegetatie waarbij in de natte delen Klokjesgentiaan, de waardplant, kan groeien, terwijl op de droge delen de waardmieren voorkomen. Het Korhoen gebruikt het landschap op grotere schaal. Ze broedt op open heidevlaktes waar de predatiedruk laag is en gebruikt akkers en bosranden om te foerageren.
Gradiënten en terreinheterogeniteit staan sterk onder druk van 'ver'-factoren, maar ook de wijze waarop sommige herstelmaatregelen worden uitgevoerd kan leiden tot meer eenvormigheid. Hierdoor is natuurherstel een complexe aangelegenheid die maatwerk vereist, toegesneden op de specifieke situatie van het terrein en de voorkomende soorten. Inzicht in de eigenschappen die soorten hebben, waardoor ze zijn aangepast aan de omgevingscondities in hun leefgebied, biedt handvatten voor het herstelbeheer. Vanuit de eigenschappen van soorten kan worden nagegaan hoe 'ver'-factoren knelpunten hebben veroorzaakt voor bedreigde soorten en hoe deze knelpunten kunnen worden opgeheven met beheersmaatregelen. Daarbij is het belangrijk de verschillende schaalniveaus in het oog te houden. De omgevingscondities voor een plant spelen zich af op het niveau van de standplaats, een herbivoor is afhankelijk van meerdere waardplanten, terwijl op een nog hoger schaalniveau predatoren jagen op verschillende prooisoorten, die elk hun eigen relaties hebben met lagere schaalniveaus. Verder worden condities en processen op standplaatsschaal mede gestuurd door processen die op hogere schaalniveaus spelen (bijvoorbeeld regionale hydrologie). Het heen en weer schakelen tussen standplaats en landschap kan daarom veel winst opleveren voor het natuurbeheer. Dit vereist gedegen kennis over zowel de biologie van een soort als de opbouw en het functioneren van het landschap. De hiernavolgende lezingen geven per landschap de nieuwste inzichten aan vanuit dit perspectief.
↑terug naar het programma-overzicht
DT Duin- en kustlandschap
Herstel kustlandschap: waar welke ruimte- en tijdschaal toepassen?
Evert-Jan Lammerts (SBB), Anton van Haperen (SBB), Albert Oost (RIKZ), Rienk Slings (PWN), Wouter van Steenis (Natuurmonumenten) en Annemieke Kooijman (UvA)
De inrichting van het kustlandschap heeft tot gevolg gehad dat tegenwoordig veel landschapsvormende processen aan banden zijn gelegd. Grootschalige afslag, het binnentreden van zeewater achter de duinen en grootschalige verstuiving zijn bijvoorbeeld decennialang tegengehouden. Door hydrologische ingrepen en het winnen van drinkwater is ook de zoetwaterhuishouding in de duinen veranderd. De bodemvorming heeft zich voortgezet en pioniersstadia zijn van kwelder tot en met duintop veel zeldzamer geworden. Het besef dat de dynamiek een sleutelrol speelde voor de biodiversiteit in de duinen is mede gegroeid doordat EGM-maatregelen op standplaatsniveau onvoldoende hebben geleid tot het herstel van de levensgemeenschappen van weleer. De achteruitgang van veel karakteristieke duinsoorten gaat nog steeds door; zo dreigt de Tapuit uit de kustduinen te verdwijnen.
De nieuwe uitdaging lijkt voor de hand liggend: herstel zoveel mogelijk de dynamiek in het kustlandschap en de flora en fauna zullen zich herstellen. Er zitten hierbij echter twee adders onder het gras: (1) de uitgangssituatie bestaat nu veelal uit oudere successiestadia die ook nog eens beïnvloed zijn door 'ver'-factoren en (2) de dynamiek moet hersteld worden waar dat past in de landschappelijke (en inrichtings-)context en met een duidelijke visie over de ontwikkeling in de tijd; sommige landschapselementen zijn nu eenmaal niet in korte tijd kunstmatig terug te vormen. Met de nieuw ingeslagen weg van redynamisatie ten behoeve van het herstel van het landschap en levensgemeenschappen breekt voor beheerders en onderzoekers in het kustlandschap een veelbelovende periode aan. Daarnaast zullen we wegen moeten vinden voor het herstel van de karakteristieke vegetatie en fauna in de duingebieden die niet te redynamiseren zijn.
↑terug naar het programma-overzicht
DT Droog zandlandschap
Over de grenzen van bos, heide en stuivend zand: van kleinschalige maatregelen naar herstel van het heidelandschap
Henk Siepel (RU/WUR), Henk Siebel (NM), Theo Verstrael (Vlinderstichting) en Arnold van den Burg (St. Bargerveen/RU)
Het droog zandlandschap kent van nature kleinschalige en grootschalige gradiënten in nutriënten- en mineralenbeschikbaarheid, gevormd door natuurlijke processen als verstuiving, bodemontwikkeling en vegetatiesuccessie en aangescherpt door het vroegere gebruik. Zowel de volgorde van landschapstypen op deze gradiënt - stuifzanden, heide en bos - als verschillen in voedselrijkdom binnen deze typen bepalen grotendeels de floristische en faunistische biodiversiteit van het droog zandlandschap.
Naast veranderingen in het menselijk gebruik heeft vooral de hoge depositie van vermestende en verzurende stoffen en de daarmee gepaard gaande versnelde uitspoeling van de bodem (afname beschikbaarheid mineralen en sporenelementen) een zeer groot effect op de beschikbaarheid van voedingsstoffen in het droog zandlandschap. Dit uit zich duidelijk in de dominantie van enkele plantensoorten (vergrassing, verstruweling), maar waarschijnlijk ook in een onbalans tussen stikstof (overmaat) en essentiële micronutriënten (tekort) van belangrijke voedselplantensoorten voor herbivoren. Deze veranderingen blijken desastreus voor veel planten- en diersoorten en werken door in de hele voedselketen. Problemen in de voedselbalans gelden ook in sterke mate voor de fosfaatverzadigde cultuurgronden die vrijkomen voor natuurontwikkeling en die nodig zijn om een robuuste EHS te bewerkstelligen.
De grote uitdaging voor het beheer van droge zandgronden is (combinaties van) herstelmaatregelen te ontwikkelen die de onbalans in voedingsstoffen opheft en de van nature aanwezige gradiënten herstellen. Alleen hiermee kan zowel de verbondenheid, kwantiteit als kwaliteit van huidige natuurterreinen én de te ontwikkelen gebieden worden gewaarborgd.
↑terug naar het programma-overzicht
DT Beekdallandschap
Van Kwabaal tot veenvorming: nieuwe perspectieven voor herstel van beekdallandschappen
Renée Bekker (Gegevensautoriteit Natuur), Uko Vegter (Waterschap Hunze & Aa’s), Henk de Vries (It Fryske Gea) en Camiel Aggenbach (KIWA)
Beekdallandschappen zijn van oorsprong landschappen waarin de beek en de omliggende moeras- en hooilandnatuur een eenheid vormden en via stroming van water met elkaar waren verbonden. Door ontwatering, agrarisch gebruik en regulatie van beken is zowel die eenheid als de verbondenheid verbroken. In de afgelopen jaren is herstel van watersystemen in beekdalen al een begrip geworden. Daarin liggen juist ook de grote kansen voor integraal beekdalherstel: herstel van de samenhang van beeksysteem en omliggende natuur door bijvoorbeeld het terugbrengen van meer natuurlijke afvoerpatronen. Bij vergaand hydrologisch herstel behoren in sommige gebieden ook veenvormende mesotrofe zeggenvegetaties tot de mogelijkheden. Herstel van ruimtelijke variatie en een geschikte hydrodynamiek biedt kansen voor faunaherstel. Zulke ambities stellen uiteraard eisen aan de afvoerdynamiek en chemische kwaliteit van het hele stroomgebied. De uitdaging is om te kijken in hoeverre deze eisen in de verschillende typen beekdallandschappen in Nederland realiseerbaar zijn en hoe herstel ervan kan samengaan met de beperkingen van sterk veranderde stroomgebieden.
↑terug naar het programma-overzicht
DT Rivierenlandschap
Welke bijdrage levert natuurontwikkeling aan herstel rivierenlandschap?
Wouter Helmer (Ark), Henk Wolfert (Alterra), Frank Saris (SOVON), Karlè Sýkora (WUR) en Harrie Hekhuis (SBB)
Levende rivierduinen, stromende nevengeulen, overstromingsvlaktes, hardhoutooibossen, stroomdalgraslanden en pioniermilieus zijn van oorsprong niet los te zien van de vormende kracht van het water. Juist deze verbindingen tussen aquatische en terrestrische delen zijn doorgesneden door menselijk ingrijpen in de loop van de eeuwen, zoals het vastleggen van de rivierloop door kanalisatie, normalisatie, verstuwing en het afsnijden van meanders. Door opslibbing zijn uiterwaarden opgehoogd, terwijl de rivierloop zich steeds verder insnijdt. Dit heeft geleid tot het verlies van standplaatsen met laagdynamische condities ten gunste van ofwel hoogdynamische condities of zeer stabiele condities. Hiermee zijn ook veel relaties tussen het aquatische en het terrestrische milieu doorgesneden die belangrijk zijn voor vele organismen.
In de afgelopen twintig jaar zijn belangrijke stappen gezet op weg naar natuurherstel en natuurontwikkeling met meer ruimte voor rivierdynamiek en begrazing. De veranderingen zijn zeer positief te noemen ten opzichte van de situatie met intensieve landbouw. Echter, het herstel en de ontwikkeling van buitendijkse rietmoerassen en andere laagdynamische natuur is moeizaam. Een belangrijke vraag is daarom of er extra potenties zijn die tot op heden onbenut zijn vanuit het perspectief van een meer intacte referentiesituatie, met inachtneming van de beperkende randvoorwaarden (scheepvaart, veiligheid).
↑terug naar het programma-overzicht
DT Heuvellandschap
Sleutelfactoren en toekomstperspectief voor herstel van het Limburgse heuvelland
Roland Bobbink (UU/B-WARE), Bart van Tooren (NM), Loek Kuiters (WUR), Toos van Noordwijk (St. Bargerveen/RU), Arjan Ovaa (Limburgs Landschap) en Nina Smits (UU)
De kalkgraslanden, hellingbossen en beekdalen van het heuvelland zijn van oudsher uitzonderlijk soortenrijk en herbergen een groot aantal soorten planten en dieren die we nergens anders in Nederland vinden. Uit het OBN-onderzoek in de Zuid-Limburgse kalkgraslanden en aangrenzend heischraal grasland is gebleken dat het huidige graas- en maaibeheer niet leidt tot de nodige verschraling van de bodem en dat de huidige beheercyclus grote problemen oplevert voor verschillende karakteristieke insectensoorten. Kunnen deze knelpunten worden opgelost door eerder in het jaar en meer gefaseerd in tijd en ruimte te beheren?
Grote uitdaging is de uitbreiding van het areaal van hellingschraallanden, broodnodig voor de overleving van een groot aantal karakteristieke flora- en faunasoorten die in de huidige sterk versnipperde situatie in moeilijkheden komen. Maar hoe maken we van zwaar vermeste ex-landbouwgrond weer hellingschraalland? Kleinschalige experimenten met het afplaggen van de geëutrofieerde bodemlaag en het opbrengen van hooi van goed ontwikkelde hellingschraallanden laten voor bodem en vegetatie hoopvolle resultaten zien. Maar werkt deze methode ook voor insecten en andere fauna? En welke rol speelt terreinheterogeniteit? Deze vragen kunnen alleen beantwoord worden door snel op te schalen naar terreinniveau.
↑terug naar het programma-overzicht
DT Laagveen- en zeekleilandschap
Is herstel van laagveen op landschapsschaal mogelijk? Soorten turven of landschap boetseren
Leon Lamers (RU), Jos Schouwenaars (Wetterskip Fryslân), Winnie Rip (Waternet), Wilco Verberk (St. Bargerveen/RU), Jos Verhoeven (UU) en Geert Kooijman (SBB)
De problemen in laagveengebieden zijn complex. In veel laagveengebieden wordt gebiedsvreemd water ingelaten om verdroging tegen te gaan. De behoefte aan inlaatwater wordt versterkt door de wens in de zomer hoge waterpeilen te handhaven en de hoge ligging van veel laagveenreservaten ten opzichte van het omliggende landschap. Met name op kleine schaal blijkt het mogelijk om de verlanding op gang te brengen en de biodiversiteit te herstellen. Kennis van de onderliggende biogeochemische processen blijkt doorslaggevend voor het succes van herstelmaatregelen. Zo blijkt alleen defosfateren van inlaatwater onvoldoende omdat grote hoeveelheden voedingstoffen kunnen vrijkomen uit de veenbodem zelf onder invloed van gebiedsvreemd water.
Herstel op landschapsschaal is daarom een van de grootste uitdagingen in het laagveen. Hoe kunnen we over grote oppervlakten een goede waterkwaliteit realiseren om zo aan een belangrijke randvoorwaarde te voldoen voor herstel van biodiverse gemeenschappen? Een andere uitdaging zijn invasieve exoten die in een aantal gebieden de inheemse biodiversiteit lijken te bedreigen. Door de voortdurende bodemdaling worden bovendien alternatieven zoals flexibel peilbeheer en natuurontwikkeling (brakwatervenen, laagveenmoerassen laag in het landschap) belangrijk om ook op de lange termijn natuurwaarden overeind te houden.
↑terug naar het programma-overzicht
DT Nat zandlandschap
Van hoogveenherstel naar herstel van een 'compleet' nat zandlandschap
André Jansen (UvB), Jan Roelofs (RU), Matthijs Schouten (SBB), Gert-Jan van Duinen (St. Bargerveen/RU), Gert Jan Baaijens (RUG) en Jan Streefkerk (SBB)
Door het OBN-onderzoek zijn de randvoorwaarden voor het op gang brengen van veenmosrijke, hoogveenvormende vegetatie nu goed bekend: beschikbaarheid van voldoende licht, koolstof en water is essentieel. Of en hoe aan deze voorwaarden kan worden voldaan, is afhankelijk van doorlatendheid en decompositie van het resterende veenpakket en kwaliteit en peil van het grondwater. Uit het onderzoek blijkt verder dat relictpopulaties van zeldzame, karakteristieke diersoorten kunnen verdwijnen door te snelle, grootschalige vernatting. Lang niet alle dier- en plantensoorten van het hoogveenlandschap hebben baat bij het alleen beter vasthouden van regenwater en herstel van veenvorming. Veel soorten zijn afhankelijk van overgangen naar het omringende landschap of worden gehinderd door te hoge nutriëntenconcentraties of gebrek aan mineralen. Herstel van zuurbuffering en basenverzadiging van de bodem en gradiënten van zure naar meer gebufferde, mineraalrijkere condities is daarom nodig. Dit geldt niet alleen voor hoogvenen, maar ook voor vennen, berkenbroekbossen, natte heiden en schraallanden.
De evaluatie van de duurzaamheid van OBN/EGM-maatregelen in vennen laat zien dat de afgenomen zwavel- en stikstofdepositie heeft geleid tot een aanzienlijke afname van de zwavel- en stikstofconcentratie in de waterlaag van vennen. Spontaan herstel van flora, fauna en algen treedt echter vrijwel niet op door de aanwezigheid van sliblagen. Het blijft dus noodzakelijk om in aangetaste vennen herstelmaatregelen te nemen. Met behulp van maatregelen als baggeren en de inlaat van gebufferd water is het mogelijk om gemeenschappen van karakteristieke pioniersoorten te herstellen. Ook vijftien jaar na de uitvoering van herstelmaatregelen worden pioniersoorten nog aangetroffen. Soorten van latere successiestadia keren in die periode nog nauwelijks terug. Let bij herstelmaatregelen op de nog in het ven aanwezige relictpopulaties van karakteristieke planten- of diersoorten en eventuele waardevolle verlandingsvegetaties of gradiënten.
Uitdaging voor het herstelbeheer is het herkennen van kansrijke situaties, om vervolgens adequate maatregelen te nemen die herstel in gang zetten. Voor het nemen van adequate externe en interne herstelmaatregelen is een landschapsecologische systeemanalyse essentieel. Deze analyse biedt inzicht in hoe de sleutelfactoren voor herstel op verschillende schaalniveaus worden aangestuurd door processen op landschapsschaal.
↑terug naar het programma-overzicht
Voor Natura 2000-gebieden wordt nu gewerkt aan het opstellen van beheerplannen. Belangrijke vragen zijn: Welke potenties heeft het terrein? Hoe wordt het gebied beïnvloed door bestaand en toekomstig gebruik, zowel in als buiten het gebied? Hoe kunnen de instandhoudingsdoelen gerealiseerd worden?
Bij de uitwerking van het beheer gaat het om maatregelen die op standplaatsniveau de condities verbeteren, maar is het in verband met externe werking ook nodig over de grenzen van het gebied te kijken: Hoe worden de condities en processen in het gebied gestuurd door processen die op landschapschaal spelen? Denk bijvoorbeeld aan grondwaterstroming, maar ook aan foerageergebieden die buiten het Natura 2000-gebied liggen en essentieel zijn voor de instandhouding van populaties van soorten in het Natura 2000-gebied.
In het kader van O+BN is veel kennis ontwikkeld over randvoorwaarden en sturende processen voor succesvol herstel van ecosystemen op standplaats- én landschapsschaal. Hoe kan deze kennis benut worden bij het opstellen van beheerplannen en het nemen van herstelmaatregelen om en in Natura 2000-gebieden? En: welke kennis moet nog ontwikkeld worden om een adequaat beheer te voeren?
↑terug naar het programma-overzicht


